Tentoonstelling Look at Me!

Door een groene stip [] op de plattegrond aan te klikken, gaat u naar een andere zaal. U bevindt zich in de zaal met de rode stip[].

Aan deze voorjaarstentoonstelling 2006, waar het zelfportret centraal staat, nemen de volgende Hengelose (niet allen MHHK-exposanten) kunstenaars nemen deel:
Willemina Bakkenes, Jan Beerling, Rob Bloemendaal, Agnes Booijink, Jozef de Bot, Karmela Debski, Noud van Galen, Rob Hilgersom, Merit de Jong, Aafke Kelly, Ricardo Liong-A-Kong, Gertie van Nuenen, Otto Oelen, Fra Paalman, Leon Polko, Bert van Santen, Tineke van Steijn, Fenneke ten Thij, Jannemiek Tukker, Anne Wind, Simone Zacharias.


Inleiding
door Elvira van Eijl, kunsthistorica, voorzitter van de Hengelose Adviescommissie Beeldende Kunst.

Rembrandt schilderde meer dan 100 zelfportretten. Hij stapte daarbij steeds in een andere rol. Nu eens zien we hem als bedelaar dan weer als historisch of bijbels personage. Hij schilderde zichzelf als een jonge man met een toekomst voor zich, maar ook als oudere kunstenaar die het nodige heeft meegemaakt.
Waarom bleef hij voortdurend geboeid door zijn eigen veranderende fysionomie, en waarom portretteren kunstenaars zich zelf nog steeds anno 2006?

Om antwoord op deze vragen te geven moeten we eerst een duik in de kunstgeschiedenis nemen.
Het zelfportret zoals wij dat kennen heeft niet altijd als genre bestaan. Dat komt vooral omdat de kunstenaar lange tijd uitsluitend als handwerksman werd gezien. Zijn handtekening of naam was niet belangrijk, en zijn fysieke verschijning al helemaal niet.
Vanaf 1400 ontwikkelt het genre zich langzaam, de kunstenaar wordt zelfbewuster. Kijk eens naar de zelfportretten die Albrecht Dürer schilderde waarbij hij zichzelf als een zeer zelfbewuste man weergeeft. De tekeningen waarbij hij zichzelf naakt als oude man weergeeft zijn voor die tijd gedurfd, en ondanks het feit dat ze het verval van de mens illustreren getuigen ze ook van een groot gevoel van waardigheid en zelfrespekt.

Voordat dit soort zelfportretten zich ontwikkelde plaatste de kunstenaar zichzelf al wel af en toe als onderdeel binnen een groter geheel. We zien op een wandschildering temidden van een aantal geleerden het kleine zelfportretje van Raphael dat de toeschouwer recht aankijkt. Michelangelo gaf zichzelf een plaatsje in het centrum van het grote fresco van Het laatste oordeel in de Sixtijnse Kapel. Hij neemt hierbij de identiteit aan van de Heilige Bartolomeus die levend werd gevild. Het zelfportret bevindt zich op de afgestroopte huid van de heilige, als protest omdat Michelangelo zich door zijn opdrachtgever de paus letterlijk het vel over de oren gestroopt voelde omdat de man niet wil betalen.

Vanaf de 15de eeuw zien we langzamerhand ook aan de kant van verzamelaars interesse voor het zelfportret van de kunstenaar ontstaan. De mecenas wilde zich niet alleen omringen met portretten van belangwekkende politieke figuren, maar ook met portretten van schilders.
De kunstenaar poseert voor de spiegel en wordt op die manier tot zijn eigen studieobject, waarbij de belangstelling voor de eigen persoonlijke psychologie geleidelijk vorm begint te krijgen. Was het portret aanvankelijk een tamelijk natuurgetrouwe weergave van het gezicht, langzamerhand verandert de houding ten opzichte van het realistische portret onder invloed van de theorieën van Freud.

Het portret wordt letterlijk een confrontatie met het zelf, een middel om de eigen emoties te bestuderen en te doorgronden en daarna zichtbaar te maken (zie Egon Schiele). Soms is het exploiteren van de eigen verschijningsvorm geboren uit bittere noodzaak, bij gebrek aan andere modellen bijvoorbeeld zoals het bij Vincent van Gogh het geval was.
In het geval van Frida Kahlo is het zelfportret de rode draad door het hele oeuvre, zij schildert haar dramatische leven op een naïeve soms surreële manier die af en toe bijna therapeutisch aandoet. Alsof ze alleen op deze manier afstand van zichzelf en haar pijn kan nemen.

In de twintiger jaren van de vorige eeuw zien we het zelfportret letterlijk desintegreren. De Cubisten, Futuristen, en Dadaïsten deconstrueren elke gelijkenis door de toepassing van de collagetechniek en de fotomontage.
In de twintigste eeuw begint de kunstenaar ook voor het zelfportret gebruik te maken van nieuwe media als de foto, de film, en de computer.
Cindy Sherman ensceneert foto’s waarbij zijzelf voortdurend in de huid van clichéfiguren kruipt en Arnulf Rainer bekrast onophoudelijk zijn eigen fotoportretten, tot ze bijna achter een dikke laag grafiet of krijt verdwijnen.
En wat te denken van Gilbert & George die al ruim 20 jaar zichzelf als levende sculpturen exhibitioneren. Zijn dat nog zelfportretten, geven ze iets van zichzelf prijs of verschuilen ze zich achter hun zelf aangemeten rollenspel?

Er zijn vele vormen en varianten van het zelfportret mogelijk. Het is zeker dat bijna elke kunstenaar wel een keer zwicht voor de verleiding om minstens één werk aan zichzelf te wijden. Is het gemakzucht, ijdelheid, narcisme, nieuwsgierigheid, of noodzaak om de eigen fysionomie te portretteren?
Philip Akkerman zou het antwoord moeten kunnen geven. Sinds 1981 heeft hij in meer dan 3000 zelfportretten onophoudelijk geprobeerd zichzelf en de stemming van het moment vast te leggen. Steeds opnieuw zoekend naar nieuwe manieren om dichter bij de essentie van het Zelf te komen.

De kunstenaars die in deze tentoonstelling te zien zijn hebben elk hun eigen beweegredenen om zichzelf te portretteren, ze hielden zichzelf een spiegel voor en interpreteerden dat wat ze zagen.
Gaat het werk alleen over henzelf of zijn ze in staat het subjectieve te overstijgen en het algemeen menselijke naar voren te brengen?

Ik wens u een boeiend verblijf in de expositie.

Elvira van Eijl
april 2006
^